Het woord van zondag 28 april 2019

(spreker: br. Ivo Vranken, diaken PG Sion)
We gaan lezen in Genesis 28:13 en 14. Dit is een belofte die God gaf aan Jakob. Jakob was de tweelingbroer van Esau. Als we de voorgeschiedenis van Jakob en Esau bekijken, dan zien we het volgende: Hun moeder heette Rebekka. In Genesis 19:23 zei God tot haar: “Twee volken zijn in uw schoot en twee natiën zullen zich scheiden uit uw lichaam; de ene natie zal sterker zijn dan de andere, en de oudste zal de jongste dienstbaar wezen”. Esau was rossig. Zijn naam betekent: “behaard”. Bij hun geboorte hield Jakob de hiel vast van Esau. Esau was dus de eerste, de oudste. Esau was een man van de jacht. Jakob verbleef merendeels bij zijn moeder thuis. Esau zou als oudste zoon de vaderlijke zegen ontvangen. Dit zinde Rebekka niet. Zij wilde dat Jakob die zegen zou ontvangen. Zij smeedde samen met Jakob het volgende plan: Jakob moest zich voordoen bij zijn vader als Esau. Isaak, hun vader, was oud en was blind. Isaak had Esau tot zich geroepen. Hij vroeg hem op jacht te gaan en twee geitebokjes te doden en deze vervolgens tot en smakelijk gerecht voor hem te bereiden. Na deze maaltijd zou Isaak Esau zijn vaderlijke zegen geven. Rebekka kwam dit ter ore. Zij droeg Jakob op om twee geitebokjes naar haar te brengen en dan zou zij die bereiden tot een smakelijk gerecht voor Isaak. Haar bedoeling was dat niet Esau, maar Jakob de vaderlijke zegen zou ontvangen. Maar….. Isaak was wel blind, hij zou bij betasting toch merken dat hij niet Esau was ? Esau was nl. behaard.
Lees de volledige preek